Vestingstad

In de loop van de twaalfde eeuw is aan de rechter Rijnoever, ten westen van de stuwwal, een kleine nederzetting ontstaan. Het is de jongste van de boerenbuurtschappen die zich sinds het vertrek van de Romeinen uit ons land aan de voet van de stuwwal De Wageningse Berg ontwikkelen. Deze nederzetting van waarschijnlijk slechts enkele tientallen boerderijen en huizen krijgt op 12 juni 1263 onder de naam Nijwageningen stadsrechten van graaf Otto II van Gelre. 
Het stadje ligt in het smalste deel van de toen nog zeer drassige Gelderse Vallei en aan de rand van Otto’s machtsgebied. Bovendien ligt de stad dan nog direct aan de Rijn, die in de middeleeuwen nog vlak langs de nederzetting stroomt, waardoor zij de doorvaart op de rivier beheerst.
 
Hoewel Wageningen zou kunnen uitgroeien tot een bloeiende handelsstad, is dat niet gebeurd. Haar functie als grensvesting en de concurrentie van Arnhem verhinderden dat. In de loop der eeuwen hebben belegeringen, plunderingen en branden hun tol geëist.

De vesting Wageningen in 1646

In de eerste helft van de zestiende eeuw verrijst het kasteel van Wageningen in de zuidoosthoek van de stad en worden de verdedigingswerken van de stad zelf fors versterkt en aangevuld. Wanneer Gelre in 1543 in handen valt van keizer Karel V, die ook al Utrecht in bezit heeft, is het afgelopen met de betekenis van Wageningen als grensvesting.
 
Tijdens de 80-jarige oorlog groeit het belang van de stad als vesting weer, nu als bewaker van de Veluwe. Na de Vrede van Munster in 1646 blijft goed onderhoud aan de vestingwerken achterwege. In 1672 geeft de stad zich dan ook zonder slag of stoot aan de invallende Franse troepen over. Dat is meteen het einde van Wageningen als vestingstad, al blijven de fortificaties voorlopig nog grotendeels intact.
 
< vorige pagina

volgende pagina >

Uitgelicht