In 1876 kocht het Wageningse gemeentebestuur een groot gebouw aan de Herenstraat (de Bassecour) en schonk het aan het Rijk, onder voorwaarde dat het Rijk daarin de op te richten middelbare landbouwschool zou vestigen en in stand houden. Het was een ruimhartige, door welbegrepen eigenbelang ingegeven, geste.
De gemeente had hoge verwachtingen van de aanwezigheid van een
dergelijke opleiding binnen haar grenzen. Die verwachtingen zijn
uitgekomen. In 1876 werd de landbouwschool geopend en na een
aarzelend begin groeide de school uit tot een veelzijdig
opleidingsinstituut. Het onderwijsaanbod varieerde van voortgezet
lager, tot bijna academisch niveau.
Aan het einde van
de negentiende eeuw bestond de oorspronkelijke Rijkslandbouwschool
uit vier hoofdrichtingen, waaronder een Rijkstuinbouwschool en een
Rijks H.B.S. Uiteindelijk bleef alleen de Rijks Hogere Land-, Tuin-
en Bosbouwschool, de opleiding met het hoogste, nagenoeg
universitaire onderwijspeil, daarvan over. Deze school, waarvan
sommige docenten zich professor mogen noemen, werd in 1918 verheven
tot Landbouw Hogeschool. Daarna vestigden enkele wetenschappelijke
instituten zich in Wageningen.
De grote groei van het agrarisch wetenschappelijk onderwijs en
onderzoek zou echter pas na de Tweede Wereldoorlog
plaatsvinden.